Verruimen.
Verbeelden.
Zien.
Lucht is perspectief — het opent, verbeeldt en ziet vooruit.
Ontsteken.
Richten.
Bewegen.
Vuur is beweging — het ontsteekt, richt en zet in actie.
Wortelen.
Dragen.
Bouwen.
Aarde is fundament — het draagt, bouwt en laat bestaan.
Stromen.
Voelen.
Verbinden.
Water is verbinding — het voelt, verzacht en brengt samen.